Letselschade

Schadeverhaal

In Nederland heeft uitsluitend de gewonde, ook wel de benadeelde genoemd, recht op vergoeding van zijn of haar letselschade indien een ander aansprakelijk is. Een uitzondering op die regel zijn de kosten die een ander voor de benadeelde betaalt, evenwel op voorwaarde dat de benadeelde die kosten zelf ook had kunnen vorderen. Dit wordt ook wel verplaatste schade genoemd. Shockschade is ook een vorm van schade die aan een ander dan de benadeelde zelf kan worden toegekend. Ook de werkgever van een gewonde kan de kosten van doorbetaald loon verhalen. (Sociale) verzekeraars hebben ook recht op verhaal van hun uitkeringen.
Verjaring

Er geldt in art. 3:310 lid 1 BW een absolute verjaringstermijn van 20 jaren bij letselschade en een relatieve verjaringstermijn van vijf jaren na het bekend worden met de schade en de daarvoor aansprakelijke partij.

Verder bepaalt art. 3:310 lid 2 BW dat vorderingen uit letsel- en overlijdensschade pas verjaren na 30 jaren in het geval van milieuschade en schade door blootstelling aan gevaarlijke stoffen in de zin van art. 6:175 BW.

Sinds 1 februari 2004 bepaalt art. 3:310 lid 5 BW dat in afwijking van de absolute verjaringstermijn (van 20 jaren), de relatieve verjaringstermijn van vijf jaren (uit art. 3:310 lid 1 BW) en de verjaringstermijn van 30 jaren uit lid 2 een vordering uit letselschade/overlijdensschade pas vijf jaren na de dag waarop men bekend werd met de schade en de aansprakelijke partij verjaart. Voorheen werd er op grond van vaste jurisprudentie rondom de blootstelling aan asbest al aangenomen dat op grond van de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid (art. 6:248 lid 2 en 6:2 lid 2 BW) een beroep op verjaring onredelijk zou zijn. Het gaat hierbij om verborgen schade waarbij bijvoorbeeld een ziekte pas uitbreekt na het verstrijken van de oude verjaringstermijn van 20 jaren.
Letselschade van ambtenaren

Wanneer een ambtenaar letselschade of een beroepsziekte oploopt in de uitoefening van zijn werkzaamheden kan hij hiervoor zijn werkgever (de overheid) aansprakelijk stellen.

Het bestuursrecht, evenals het bijbehorende bestuursprocesrecht, is dan van toepassing. Er gelden in dat geval de bijzondere bepalingen van de aanvraag van een besluit en de regels van bezwaar en beroep. De aansprakelijkstelling van de overheid wordt dan beschouwd als de aanvraag van een zuiver schadebesluit tot erkenning van de aansprakelijkheid. Hier gelden ook de bijzondere termijnen uit de Algemene wet bestuursrecht.

Soms is echter de burgerlijke (civiele) rechter (in plaats van de bestuursrechter) bevoegd. De burgerlijke (civiele) rechter behandelt puur civielrechtelijke geschillen tussen burgers onderling (art. 112 lid 1 Grondwet) en heeft een aanvullende rol ten aanzien van rechtsverhoudingen met en tussen overheden.

Deze aanvullende rol heeft de burgerlijke rechter dus op de bestuursrechter zoals hiervoor genoemd.

De burgerlijke rechter is bevoegd in gevallen waarin alleen bezwaar of administratief beroep openstaat en deze bestuursrechtelijke voorprocedure is doorlopen (art. 8:4 Awb.). Als er echter wel beroep op de bestuursrechter openstaat, is de burgerlijke rechter niet-ontvankelijk (arrest Changoe uit 1992).

Wanneer een bestuursrechtelijke voorziening niet wordt benut, gaat de burgerlijke rechter uit van de rechtsgeldigheid/onherroepelijkheid van het besluit of de uitspraak (arrest Heesch/Van den Akker uit 1986). Dit is het beginsel van de “formele rechtskracht”: het besluit of de uitspraak is dan “rechtens onaantastbaar” geworden.

Het beginsel van de formele rechtskracht ziet alleen op het besluit zelf en niet op toezeggingen, mededelingen of voorbereidende handelingen (arrest Staat/Bolsius uit 1990).

Bijzondere regels gelden er bij het zelfstandig (zuiver) schadebesluit. Dit is een besluit van een bestuursorgaan inzake toekenning van schadevergoeding. Ook het besluit tot weigering van schadevergoeding is een zuiver schadebesluit (arrest Van Vlodrop uit 1997).

In het arrest van de Hoge Raad, genaamd Groningen/Raatgever uit 1999, zijn hierover een aantal rechtsregels geformuleerd en ze komen in het kort hierop neer:

Tegen een zelfstandig schadebesluit kan men zowel een vordering instellen bij de bestuursrechter als bij de burgerlijke rechter. Hier geldt een alternatief systeem: men heeft dus de keuze tussen de bestuursrechter en de burgerlijke rechter. Dit geldt alleen als er een onherroepelijk bestuursrechtelijk oordeel is, dat het bestuursorgaan aansprakelijk is voor de schade.

Als men de weg van de bestuursrechtspraak heeft gevolgd en dit beroep is verworpen, dan is men nadien niet-ontvankelijk bij de burgerlijke rechter (kan men dus niet meer bij de burgerlijke rechter terecht).

Men kan bij een zuiver schadebesluit nog naar de burgerlijke rechter, zolang de bestuursrechter nog geen uitspraak heeft gedaan (dus wel na indiening van een beroepschrift, maar vóór de uitspraak).

Deze regels uit het arrest Groningen/Raatgever gelden ook voor het ambtenarenrecht (arrest Staat/Zevenbergen, ook wel ambtenarenwet III uit 2002).

Een onzelfstandig (onzuiver) schadebesluit houdt in, dat iemand schade heeft geleden door een besluit van een bestuursorgaan: het besluit is dus de oorzaak van de schade.
Overlijdensschade

Als het slachtoffer door het ongeval overlijdt, is er sprake van overlijdensschade bij de nabestaanden. Deze nabestaanden die op grond van art. 6:108 BW recht hebben op vergoeding van gederfd levensonderhoud, zijn:

  •     De echtgenoot/echtgenote of geregistreerde partner en de minderjarige kinderen van de overledene.
  •     Andere bloedverwanten en aanverwanten van de overledene.
  •     Personen die tot het overlijden van het slachtoffer met hem/haar in gezinsverband leefden en die door het slachtoffer werden onderhouden.

 Schadeposten die worden vergoed na overlijden

Na overlijden worden slechts de kosten van lijkbezorging (begrafenis of crematie) en de kosten van gederfd (misgelopen) levensonderhoud vergoed door de aansprakelijke partij. Van de kosten van lijkbezorging worden niet de kosten vergoed die de uitvaartverzekering al vergoed heeft: deze worden in mindering gebracht op de uit te keren schadevergoeding.

Ook uitkeringen uit bijvoorbeeld een levensverzekering of een ongevallenverzekering worden in mindering gebracht op de uit te keren schadevergoeding.

Er is verder geen recht op smartengeld na overlijden, maar als een letselschadeslachtoffer later overlijdt (ten gevolge van zijn/haar letsel) en de letselschadezaak liep al ten tijde van het overlijden, dan kan er onder bepaalde omstandigheden wel een recht op smartengeld ontstaan. Wanneer het smartengeld vóór het overlijden is aangezegd richting de aansprakelijke partij, dan is er wel een recht op smartengeld.
Aansprakelijkheid

Voordat er schadevergoeding kan worden uitgekeerd, zal de tegenpartij eerst de aansprakelijkheid ‘gaaf en onvoorwaardelijk’ moeten erkennen.

In deze fase ontstaat vaak al discussie en via een dagvaarding kan de tegenpartij in rechte worden betrokken, waarna de rechtbank kan verklaren dat de tegenpartij aansprakelijk is voor de verschenen en toekomstige schade.

Zodra de aansprakelijkheid is erkend, kan de belangenbehartiger van het slachtoffer om voorschotten op de schadevergoeding vragen bij de aansprakelijke tegenpartij (de verzekeraar).

 

Bron: Wikipedia

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s